Toen ik een onderdeurtje van een jaar of veertien was, liep ik met een groepje schoolgenoten naar de supermarkt vlak bij school. We gingen snoep jatten, wie durfde? Ik eigenlijk niet, maar tussen al die grote jongens wou ik geen krimp geven. Eenmaal in de supermarkt wist ik het echt niet meer. De angst om gepakt te worden worstelde met de angst om straks met lege handen een modderfiguur tegenover de andere jongens te slaan. Om de verwarring nog wat groter te maken begon mijn geweten ook mee te knagen: stelen doe je toch niet? Maar daar bood zich onverwacht de oplossing aan, in de vorm van een opengescheurde zak drop achter in het schap. Die zou de supermarkt toch als onverkoopbaar weg moeten gooien, dus met een handje dropjes in mijn jaszak schuifelde ik onopvallend naar buiten. Niet dus. Ik voel nog de hand van de bedrijfsleider in mijn nek: kom jij maar eens mee vriend! Met een donderpreek en de verzekering dat ik de volgende keer rechtstreeks in de cel zou belanden werd ik de straat op geschopt. Mijn schoolgenoten waren nergens meer te bekennen. Daar eindigde mijn criminele loopbaan, half opgelucht en half vernederd besloot ik me nooit meer met zoiets in te laten. Ik heb ook nooit meer een stap in die supermarkt gezet.

Ik moest er aan denken toen ik deze week in de Volkskrant een artikel las over een initiatief van de Stichting Jongerenrechtbanken Nederland. Drie Amsterdamse middelbare scholen hebben zich beschikbaar gesteld om bij wijze van experiment kleine vergrijpen op en rondom de school te laten afhandelen door een jongerenrechtbank, bestaande uit bovenbouwleerlingen van die school in de rol van aanklager, advocaat en rechter, in wisselende samenstelling. De docent of rector bemoeien zich er niet mee: de leerlingen mogen het helemaal zelf oplossen. Voordeel: er komt geen politie of bureau Halt aan te pas, en het proces is gericht op herstel in plaats van straf. De dader krijgt de gelegenheid de schade die hij heeft aangericht te herstellen, zowel materieel als in de relatie met de benadeelde.

In de zaak die in het artikel wordt beschreven heeft een leerling pornoplaatjes op een iPad van de school gezet, en daarna die iPad vergrendeld met een codeslot. De ‘rechtbank’ bespreekt de zaak met de verdachte en komt tot de uitspraak: excuusbrieven schrijven aan de leraar en aan de ict-man die met de geblokkeerde iPad zat oyouthcourtpgescheept. Bovendien minimaal een week interne schorsing: dat betekent van half negen tot half vijf op school zijn en buiten de les klusjes doen voor de conciërge. Plus nog een week voorwaardelijk. Tijdens de uitspraak melden de rechters nog dat ze niet erg overtuigd zijn door de houding van de verdachte: “we krijgen de indruk dat je er lak aan hebt”. De verdachte verlaat na de uitspraak zonder iets te zeggen het lokaal.

Wat nog gezegd moet: de rechters, aanklager en advocaat kregen eerst een training en wat praktijkoriëntatie van de medewerkers van de stichting, en ze worden ook bij de rechtszaak zelf voorbereid en begeleid. Het klinkt als een mooi initiatief, overgewaaid uit de VS waar youth courts al een bekend verschijnsel zijn op scholen. In Nederland vond de stichting in kamerlid Ahmed Marcouch een warm pleitbezorger: “effectiever dan bureau Halt”. het is allang aangetoond dat peer-education werkt, dus waarom niet peer-judging? En dan is er nog het neveneffect van burgerschapsvorming: zo leren de scholieren by doing ook iets over het functioneren van rechtspraak in een democratisch systeem. Wat wil je nog meer?

Maar het beeld van die leerling die zonder iets te zeggen het lokaal verliet, laat me niet los. Net als het gevoel dat hier iets niet helemaal klopt. Of helemaal niet, zo je wilt. Als je voor een echte rechter staat, dan mag je er van uitgaan dat die professioneel, volstrekt onafhankelijk en neutraal staat ten opzichte van jou als verdachte. Iemand die jouw zaak beoordeelt, voors en tegens afweegt en tot een uitspraak komt. Die toga draagt hij niet zomaar. Maar die echte rechter kom je niet de volgende dag en de dagen, weken, maanden daarna tegen in de gang, bij de fietsenstalling en op het schoolplein. Met zijn vrienden. Terwijl je weet dat hij weet dat jij hebt moeten bekennen dat je pornoplaatjes op een iPad hebt gezet – en hij heeft jou daarvoor bestraft. Hoe vernederend is dat eigenlijk? Er zou in principe geen autoriteitsverhouding tussen scholieren onderling moeten zijn – als iemand op school straf uitdeelt (anders kan ik een week interne schorsing toch niet noemen) dan moet dat de leraar of de rector zijn. Of, rondom de school, de bedrijfsleider van de supermarkt. In elk geval iemand die zich in een natuurlijke autoriteitspositie ten opzichte van de leerling bevindt. Maar drie medeleerlingen? Ik kan me niet onttrekken aan de associatie met volkstribunalen in China of Cambodja, waarin burgers andere burgers moesten berechten. Mensen die daar qua positie, deskundigheid maar vooral qua relatie tot de verdachte juist niet voor in aanmerking zouden moeten komen. Goed bedoeld hoor, die jongerenrechtbanken. Maar dat hebben we vaker gezien, dat goede bedoelingen tamelijk verkeerd uitpakten. Ik ben benieuwd wat na drie jaar experimenteren de conclusie zal zijn.

Wat de rechters trouwens verzuimden aan de verdachte te vragen: als je het nou zo grappig vond om pornoplaatjes op die iPad te zetten, waarom heb je er dan eigenlijk een codeslot op gezet?

Luc van Leeuwen